Het Fytocentrum, Tynaarlo

praktijk voor natuurgeneeskunde


Irisdiagnostiek

De irisdiagnostiek, ook wel genoemd iriscopie en/of iridologie is het herkennen en interpreteren van bestaande en doorgemaakte ziekten aan veranderingen in o.a. het regenboogvlies (iris), het oogwit (sclera), de pupilvorm en nog andere specifieke fenomenen.

De iriscopie is dus geen therapie maar een vorm van "hulpdiagnostiek". Net zoals de toestand van de huid en de tong, het gelaat, het haar maar ook de urine nuttige aanvullende (diagnostische) informatie kunnen verschaffen. Daarnaast is en blijft het klassieke lichamelijk onderzoek (fysische diagnostiek) belangrijk.

De zogenaamde constitutionele aanleg van een patiënt ligt vast in de grondstructuur van de iris. De constitutie is het complex van eigenschappen van lichamelijke en geestelijke aard welke de manier bepalen waarop het organisme functioneert en op allerlei invloeden reageert. Een aantal van deze eigenschappen is erfelijk, andere zijn verworven.



De 5 meest voorkomende hoofdconstituties zijn de volgende:


Lymfatische constitutie: het lymfatische afweersysteem, de lymfeklieren en banen en de slijmvliezen zijn hierbij gepredisponeerd voor afwijkingen en zwaktetoestanden; relevante klachten zijn bv. ontstekingen, allergie en zwellingen van slijmvliezen en klieren.


Neurogene constitutie: het centrale zenuwstelsel is hierbij geneigd tot lichamelijke en geestelijke "overgevoeligheidreacties". Denk aan mensen die van alles heel snel en scherp aanvoelen, alsof zij antennes om zich heen hebben... Deze mensen zijn geestelijk meestal erg sterk - of juist verzwakt door hun (over)gevoeligheid. Er is in het laatste geval vaak aanleg voor overgevoeligheid, oververmoeidheid, spanning, pijnen en stress, kramp, aanleg voor elektrosmog (elektromagnetische velden en hoogspanning, WIFI, DECT-telefoonstraling e.a. elektronica) maar is er ook aanleg voor uiteenlopende zenuwziekten. Dit type mensen kunnen soms moeilijk adapteren in stresssituaties en kunnen zichzelf uitputten door langdurige spanningen.



Hematogene constitutie: hierbij zien we een zwakkere spijsvertering met een neiging tot een verlaagde sap-productie (speeksel, maagsap, gal- en pancreassap) dus minder enzymenproductie en -uitscheiding t.b.v. de voorvertering, aanleg voor stofwisselingsziekten (afwijkend metabolisme) en daarnaast ook een aanleg voor ziekten van de bloedsomloop (hart  en vaatziekten zoals stugge (capillaire) slagaders en andere afwijkingen in de vaatstructuur en het verloop), doorbloedingsproblemen (afwijkende circulatie, kouwelijkheid) en vaak daarbij een verlaagde zuurstofvoorziening.


Klier- en bindweefselzwakke constitutie: opvallend is hierbij een algemene zwakte van de steun- en bindweefsels, dus van weefsels die de mens en zijn organen min of meer in model houden. Dit gaat bijna altijd samen met een neiging tot onderfunctie van de klierwerking (zowel lymfe- als hormoonklieren). Bij deze mensen meet je sneller een onderfunctie van de hypofyse en de schildklier enzovoort, diabetes treed dan ook vaker op. Vrouwen krijgen dan mogelijk meer last van opvliegers terwijl de mannen sneller last kunnen krijgen van prostaatlijden.

Denk bij steun- en bindweefselzwakte vooral aan de aanleg voor platvoeten, een zwakke rug, slap bloedvatcollageen (bijvoorbeeld spataders met aanleg voor aneurysma), slappe buikspieren en gewrichten, aanleg voor verzakkingen (middenrif, blaas en baarmoeder), verzakte (hart)kleppen, haaruitval, slechte nagels, een zwak gebit enz.


Hydrogeen constitutie: de waterhuishouding komt op de voorgrond bij deze mensen. Snel en hevig transpireren en de neiging tot blaas- en nierziekten (-ontstekingen), reuma en eczeem komen dan vaker voor. Het zgn. hydrogene beeld kan ook gemakkelijk samengaan met andere constituties, dan noemen we het een subconstitutie.

De aanleg voor bepaalde ziekten en klachten komen dus meestal dominant voor in één of meerdere "orgaan systemen". Ieder orgaan heeft (topografisch) zijn eigen plekje in de iris; dit feit is door een respectabel aantal onafhankelijke onderzoekers al lang geleden wetenschappelijk aangetoond (tenminste 50 tot 75 serieuze onderzoekers).

De rechter iris geeft overwegend "genotypische" informatie, d.w.z. irisfenomenen op basis van erfelijk bepaalde dispositie.

De linker iris laat meer de verworvenheden in het leven zien, de zogenaamde "fenotypische" informatie. Met name onder functies van organen tekenen erg gemakkelijk in de iris, maar ook ontstekingen zijn steeds goed waar te nemen. Ook welvaartsziekten zoals coronairsclerose (kransslagader verharding of -vervetting) en carotissclerose (verharding en vervetting, plaque in de halsslagaders) kunnen in een zeer vroeg stadium worden vastgesteld, net als dreigende beroertes, aneurysma en het relatief gevaarlijke, maar zeer veel voorkomende (relatieve) chronische tekort aan het anti stress mineraal magnesium! Dit laatste heeft overigens erg veel te maken met de (voedings)toestand en omgevingsinvloeden tijdens de zwangerschap van de moeder, alsmede het voorkomen van Mg-deficiëntie door een genmutatie (Gitelman-syndroom e.a.)

Het is overigens een illusie, dat de irisdiagnostiek geschikt zou zijn voor het (vroeg) herkennen van een ernstige ziekte als kanker. Het is absoluut onverantwoord om alleen op grond van de iriscopie diagnostische uitspraken te doen omtrent het voorkomen c.q. het stadium van deze ziekte. Pas achteraf is een dergelijke ernstige ziekte soms (ongeveer 4 van de 10 keer) te herkennen met irisdiagnostiek. Iedere vorm van diagnostiek, zowel regulier als alternatief, kent zijn beperkingen; geen enkele diagnosevorm is volmaakt of alleenzaligmakend!

De irisdiagnostiek heeft zijn eigen waarde. Het ziekte-stadium en de ernst van een ziektebeeld kunnen meestal redelijk goed worden ingeschat, maar de iris van iemand met een neurogene constitutie "tekent" wel moeilijker door de fijnere structuur van de irisradiairen.

In de praktijk kan worden volstaan met het gebruik van een goede loep en een lampje, voor uitgebreider zicht is een veel zwaardere, professionele irismicroscoop nodig. Wie zich na een goede basis- en vervolgopleiding de 'KUNDE' van deze specialisatie goed heeft eigen gemaakt, maar ook de 'KUNST' verstaat van een goede interpretatie van de verkregen iridologische gegevens, kan met deze mensvriendelijke vorm van onderzoek een goed inzicht krijgen in een groot aantal basisfuncties van het lichaam - en de patiënt vaak geruststellen. Want een ervaren en goed geoefend iriscopist is óók in staat om de patiënt een blijde boodschap mee te geven; we kunnen bijvoorbeeld met deze methode goed zien of iemand geen aanleg heeft voor ernstige hersenen vaataandoeningen, hartklachten of sclerotiseringsprocessen met plaquevorming (vroegere, foutieve benaming: aderverkalking) enzovoort...


Ter oriëntatie; literatuur:

•Jensen B; "Iridology Simplified". 2nd ed., Escondido 1980.
•Jensen B, Iridology: The science and practice in the healing arts, 2, Escondito, Calif, 1982.
•Simon A., Worthen D.M., Mitas JA 2nd. An evaluation of iridology. JAMA. 1979 Sep 8;242
 (13):1385-9.
•Knipschild P. Looking for gall bladder disease in the patient’s iris. BMJ. 1988 Dec 17;297
 (6663):1578-81.
•Ernst E. Iridology: not useful and potentially harmful. Arch. Ophthalmol. 2000 Jan;118
 (1):120-1
•Ernst E, Iridology: A systematic review. Forsch Komplementärmed 1999, 6, p.7-9.
•Walter Lang, Die anatomischen und physiologischen Grunglagen Der Augendiagnostik,
 1954.
•Brückner R, Batschelet E, Hugenschmidt, E, The basal longitudinal study on ageing.
 (1955-1978). Ophthalmo-gerontological research results. Doc Ophthal 1987, 64, p.235-
 310.
•Worrall RS, Iridology: Diagnosis or Delusion. Skeptical Inquirer 1983, 7, p. 23-35;
 Pseudoscience: A Critical Look at Iridology. J Am Optom Assoc, 1984, p.735-739.
•Waniek D, Model for possible non-visual function of the iris, lens and peripheral retina.
 Medical hypotheses, 1987, 23, p.309-312.
•Kibler M, Sterzing L, Wert und Unwert der Irisdiagnose. Hippokrates 1957 (Stuttgart).
•Jancke G, Zür Irisdiagnose. Klin Monatsbl Augenheilkd, 1956, 128, p.229-230.10. Dern N,
 Über die Irisdiagnostik. Dissertatie Marburg 1984.
•Dern N, Über die Irisdiagnostik. Dissertatie Marburg 1984.
•Buchanan TJ, Sutherland CJ, Strettle RJ, Terrell TJ, Pewsey A, An investigation of
 the relationship between anatomical features in the iris and systematic disease, with
 reference to iridology. Compl Ther Med 1996, 4, p.98-102.
•Cockburn DM, A study of the validity of iris diagnosis. Aust J Optom 1981, 64, p.154-
 157.
•Münstedt K, El-Safadi S, Brück F, Zygmunt M, Hackethal A, Tinneberg HR, Can iridology
 detect susceptibility to cancer? J Alt Compl Med 1, 3, 2005, p.515-519.
•Popescu MP, Waniek DA. Improvement of iridodiagnostic methods the possibility of
 computerising iridology. Oftalmologia 1986; 30, 1, p.29-33.
•Um JY, An NH, Yang GB, Lee GM, Cho JJ, Cho JW, Hwang WJ, Chae HJ,
•Kim HR, Hong SH, Kim HM, Novel approach of molecular genetic understanding of
 iridology: relationship between iris constitution and angiotensin converting enzyme
 gene polymorphism. Am J Chin Med 33, 3, 2005, 501-505.20.
•Um JY, Hwang CY, Hwang WJ, Kang SD, Do KR, Cho JJ, Cho JW, Kim SH, Shin TY, Kim YK,
 Kim HM, Hong SH, Association between iris constitution and apolipoprotein E gene
 polymorphism in hypertensives. J Alt Compl Med 10, 6, 2004, p.1101-1105.